Ketterse engel

Stephanie Orban

Hoofdstuk 1

Hoe lang ben ik hier al?

Het lijkt dagen, weken, een eeuwigheid. Maar ik denk niet dat er meer dan één dag is voorbijgegaan, laat staan enkele uren. Deze witte, met stof beklede muren nemen alle besef van tijd weg, drijven me verder de waanzin in. Smetteloze witte muren, waarvan je denkt dat je sneeuwblindheid zal krijgen. Blind voor je hele leven. Maar niets is minder waar. De hele tijd heb ik op die muren staan kijken en ik zie nog. Of ben ik blind?

Neen, de zwarte strengen van mijn haar zie ik nog duidelijk afgetekend tegen die sneeuwwitte muren. Dus moet ik nog zien. Dus ben ik niet blind.

Ik wil niet alleen zijn. Ik wil hier niet zijn. Het is hier eenzaam, en God weet dat ik niet klaar ben om oog in oog met mijn demonen te staan. Ik kan de stilte rondom me niet verdragen, niet wetend of de stemmen in mijn hoofd, honderden van hen, mijn verbeelding is of de stemmen van lang vergeten mensen die tot mij spreken, hopend op hulp. De stemmen in mijn hoofd schreeuwen om erkend te worden, huilen om weer levend te worden.

Ik wil niet voor altijd alleen blijven. En toch sta ik hier. Alleen.

De meeste mensen komen hier niet binnen met een pakket van opgekropte eenzaamheid.

Woede groeit binnen me. Woede om het feit wat er aan het gebeuren is, wat er gebeurd is en wat er nog moet gebeuren. Deze kamer, deze kooi, maakt me weerloos vanbinnen. Ik heb geen kracht meer om verder te vechten, verbeten zoals ik ooit eens was. Zwak. Niet sterk. Niet langer meer.

Ik sta alleen. Alleen in mijn machteloosheid om de deur van deze witte, zachte gevangenis te openen en gewoon hier buiten te wandelen. Net zoals een wild dier hebben ze mij gevangen en me hierin gegooid.

Ik sta alleen terwijl mijn gevoelens dreigen me te overspoelen, me te vernietigen, me meenemend diep in mijn ziel, en me met mijn ergste nachtmerries te confronteren. Mijn machteloosheidgevoel is sterker dan ooit. Zwak. Hoewel ik volgens getelde jaren nog steeds jong ben, ben ik oud. Een oude gekooide leeuw. Dat is wel het laatste wat ik verdien.

Mijn armen hangen als slappe touwen langs mijn lichaam. God weet hoeveel keren ik op die verrekte witte deur heb geslagen. Mijn armen hebben littekens voor het leven, dun of dik, lang of kort. Spinnenwebben over mijn twee armen, een fijn, soms slordig web van littekens.

Ik weet niet hoe ik eruit zie. Voor mijn part zie ik eruit zoals een hellekat, het kan me gewoonweg niet schelen.

IK WIL HIER GEWOON UIT! HIER UIT!

Weg uit deze witte muren, de vrijheid in. Is dat zoveel gevraagd?

Hoofdstuk 2

-TICK TICK-

Het trage, regelmatige tikken dat uit de halfverroeste, lekke badkraan weerklonk bleef rustig verder tikken, zoals van een heropgewonden grootvaderklok na jarenlange, stoffige stilte. Het was een geluid geworden dat rustgevend was. Hypnotiserend. Bijna onaards.

- TICK-

Het kleine verwarmingstoestelletje, dat hij zich nog bleek te herinneren van kleins af aan, zoemde luidruchtig en dan weer stil.

Een radioprogramma weerklonk dan nog uit een aangrenzende kamer, die vol met bombastische energie de wekelijkse top 10 voorstelde, alhoewel hij en sommige andere luisteraars wisten dat er niet zo heel veel was veranderd sinds vorige week, nu voor de meeste volledig vergeten was, behalve voor de leraren en hun studenten, directeurs, schuldeisers en hun slachtoffers, jarigen, en gevangenen.

History teaches us nothing.

- TICK -

Met een kleine draai aan de kraan met het rode stipje erop ( op een of bijzondere andere manier was dat de énige manier waarmee hij het verschil kon onthouden tussen warm en koud) veranderde het trage tikken in een stortvloed van kwade woorden die kwadere zinnen bleken te vormen, een preek die hem bijna lijfelijk aanviel.

Met zijn gewoonlijke, nerveuze tic ( een snelle beweging met zijn hoofd van de linkerkant van zijn schouder naar de rechter), draaide hij de koudwaterkraan om, en was hij nog maar eens niet gegrepen door het samenspel van koud en warm, dat in een wervelend spel als eerste het plafond wilde bereiken, om dan voorgoed uit elkaar te drijven en mekaar nooit meer terug te vinden.

De spiegel was al lichtjes aan het bedampen, maar hij hoefde alleen maar zijn silhouet zien, zijn eigen hoekige contouren waarvan hij dan uiteindelijk kon mee uitmaken dat hij er echt wel was, echt wel bestond, en niet zomaar een verward droombeeld in iemand anders' slaap.

De benige, hoekige schouders, het zwart geverfde, zijdeachtige haar dat tot aan zijn oren reikte, de achterdochtige blauwe ogen die bleken op te lichten in het vage licht dat de lamp boven hem heen verspreidde, zijn bleke huid dat dit weinige licht zachtjes reflecteerde en hem zo een spookachtig, onaards gevoel gaf, bleken hem gerust te stellen. Zijn spinnenwebben van littekens lichtten vreemd genoeg op fel op in dit weinige licht.

Vanavond zou hij uitgaan, zou hij een pruillip opzetten, zou hij depressief zijn, alles wat een typische Goth zou moeten doen als hij in groep zit in een obscure bar waarvan de lucht voor de helft uit sigarettenrook bestaat en de andere helft uit zweet. Met een lichte druk op de On knop van zijn stereo, zette hij de muziek aan die hij de rest van de avond zou horen.

De muziek was duister genoeg om oude dames de rillingen te bezorgen, de kledingstijl raar genoeg om als outcasts beschouwd te worden, de volgers ervan extreem genoeg om met rust gelaten te worden. Outcasts. Hij proefde eventjes het woord, onwennig, als was het de eerste keer dat hij het zei. Outcasts.

Hij trok snel een zwart shirt aan, één van de meest extreme die hij had; het was op zijn eigen kunstzinnige manier versierd met opschriften, bandlogo's en tekeningen, om te zien wat het resultaat zou zijn met zijn mager, bleek lichaam. Zijn lederen vest leek er in dat opzicht er wel op; kunstig versierd met veiligheidsspelden, met witte verf besmeerd op die plekken waar het moest oplichten onder de blacklights, en dan bekrast waar het oud moest lijken, zodat men niet zou zien dat het nieuw leer was. Zelf hield hij van afgedragen, oude kledingstukken, die hij meestal in tweedehands winkels kocht, en dan in zwart verfde. De dure, fluwelen kledingstukken die overal verkocht werden zeiden hem niets.

Hij liet zijn hoofd eventjes wiegen op de tranceachtige tonen van de muziek; eventjes gegrepen door de kracht van de tekst en de stem van de zanger. Misschien was hij al dronken; niet dat het hem veel kon schelen. Zijn bleke hand greep naar de halfvolle fles Martini Fiero en bracht die naar zijn zwarte lippen en nam een flinke slok. Hij was niet bang om te drinken; als hij dan ooit toch eens een paar hersencellen mocht verliezen, zou hij niet treuren. Hell, zou hij het eigenlijk wel beseffen?

De stemmen in zijn hoofd waren constant. De muziek verdreef ze niet ten volle, maar zorgde ervoor dat ze naar de achtergrond, de diepten van zijn hoofd, werden verdreven. Ze ruzieden, protesteerden dan nog wat, maar dan vielen hun luide stemmen in een zacht geroezemoes, een constante, maar lichte ruis. Zoals een slecht afgestelde radiopost.

Ruis.

"Ruist mijn hele leven", dacht hij weemoedig.