Ketterse engel Stephanie Orban 5aro2

Verbrand worden door de zon gaat gepaard met een tintelend gevoel. Dat wist hij nog van in zijn kleuterjaren, aan zee met zijn ouders, rennend en spelend op het strand.

Hoe had hij dan s'avonds geklaagd over zijn huid, rood zoals een brandweerwagen, die niet wilde stoppen met tintelen.

Nu brandt er water op zijn huid. Maar hij voelt niets, hij denkt niets, hij weet niets.

Zijn linkerarm is bezaaid met littekens. Littekens die verdwenen waren, littekens die hij niet meer voelt.

De littekens die hij op hemzelf heeft aangebracht, in vlagen van woede of frustatie steken nog altijd duidelijk af op zijn nu rode, verbrande huid.

Hij kan precies de reden zeggen voor elk litteken, waarom hij mes ter hand had genomen op dat bepaald moment, om dan zijn huid te martelen.

Voor de scheiding van zijn ouders. Voor een mislukt wiskunde examen. Voor een afgebroken vriendschap. Voor de dood van zijn beste vriend.

Hij bekijkt die littekens met ogen die vervreemd zijn van alle emotie. Waarom zou hij nog moeten voelen?

Het warme water stroomt nog altijd over hem neer, maakt zijn huid nog roder.

Al geruime tijd stroomt dat water over hem, maar hij weet dit niet. Voor hem is deze 'geruime tijd' maar minuten, nutteloze seconden. De tijd gaat voor hem te vlug voorbij.

Maar hij verliest hem toch ook niet uit het oog.

Ergens in de badkamer, hangen er kleren. Kleren die hij zelf heeft gemaakt, kleren die hij als 'kunstzinnig' beschouwt. Kledij die hij als de perfecte aanvulling van ziel beschouwt.

Zwart. Meer hoeft het voor hem niet meer te zijn.

Maar vanavond, deze nacht, is alleen maar om te feesten. Wie had ooit gedacht dat je al je angsten kon wegdansen? Hij is klaar. Klaar om te doen wat hij al de hele week van plan was geweest.

"It's party time."

Het water stopt met stromen, en hij stapt uit de douche, met een huid die nu pijnlijk zou moeten tintelen, maar hij voelt niets. Hij weet niets, behalve dat hij zijn kleren zou moeten aandoen.

Hij denkt dat dit het juiste moment is. Het moet wel.

Roger De Vriendt bekeek zijn enigste dochter nog eens aandachtig. Bleek ze niet zo gelukkig bij deze man, was ze niet gelukkig met haar kinderen, die haar uiterlijk hadden geërfd?

Misschien had hij haar iets teveel losgelaten als kind, misschien had hij iets te weinig van haar gehouden. Misschien, alleen maar als hij haar stevig tegen hem had aangedrukt toen ze nog kind was,

toen ze nog beïnvloedbaar was, misschien had ze dan een hele ander leven gehad. Een andere echtgenoot.

Hij kon niet zeggen dat hij zijn schoonzoon adoreerde. Hij kon hem tolereren, maar dat was alles.

Het was tijd om te weg te gaan. Tijd om naar huis te gaan. Tijd om de trein te nemen.

Nogmaals vervloekte hij zijn dochters echtgenoot, nog eens vervloekte hij zichzelf. Waarom kon hij zich er niet tot toelaten om vroeger van dit huis te vertrekken, als hij wist dat zijn schoonzoon niet in het donker kon rijden, vanwege zijn slecht zicht?

Misschien was het wel omdat hij elke kleine seconde bij zijn dochter wilde doorbrengen, en bij de vrucht van dit huwelijk. Je kon zeggen wat je wilde, maar hij hield van zijn kleinkinderen. Ook al waren ze het product van zijn geliefde, vervreemde dochter , en een schoonzoon die niet van hem hield.

Hij schudde hem hartelijk de hand, en omhelsde zijn kleinkinderen, die al lang in bed moesten hebben gelegen. Van zijn dochter kreeg hij alleen maar een vriendelijke, beleefde kus op de wang.

Hij draaide zich om. Het licht dat door het gangpad van zijn dochters huis scheen, reflecteerde zachtjes op straat.

Ze waren hem aan het uitkijken, aan het uitzwaaien. De donkere contouren van het station kon hij vanaf hier zien. Zijn trein vertrok over een klein halfuurtje. Hij kon het met gemak halen, een koffietje drinken in de cafetaria en zijn trein halen.

Maar hij had geen zin in koffie. En hij wou niet naar huis. In een losse stap liep hij naar het station, onzelfzeker en in zekere zin moe van het leven. De grote inkomhal was praktisch leeg. Enkele late reizigers stonden nog in de hal te wachten op een of andere trein die op een of andere manier vertraging had opgelopen.

Hij wist wat zij zouden zien; een oude man, gekleed in kledij die hem een beetje te groot was omdat hij geen vrouw meer had die zijn maten kende, een man die een beetje gebukt liep omdat zijn rug niet meer was zoals het geweest was, een man die liep in schoenen die versleten waren omdat hij er zichzelf niet kon toebrengen een nieuw paar te kopen.

De trein vertrok binnen enkele tientallen minuten. Dat gaf hem genoeg tijd om op zijn dooie gemakje naar het perron te lopen. Voetje voor voetje liep hij over de oneven vloeren van het station, en nam hij de roltrap naar het bovengrondse perron.

Toen hij rondom hem keek, zag hij geen volk. Waarschijnlijk was het nog een beetje te vroeg. Langzaam, maar met vaste tred, liep hij naar de bankjes die stonden bij de trap naar de tunnel. Daar zag hij een eenzame jongeman, gekleed in zwart, met extreme logo's, zwart haar , overduidelijk niet natuurlijk, een beetje te bleek, een beetje te … Wat was het woord? Depressief? Misschien wel.

Hoeveel van die jongeren had hij de laatste tijd al gezien? Elke van hen leek altijd op de ander, altijd even bleek, altijd in het zwart gekleed. Eerlijk gezegd begreep hij die tieners niet. Het leven moest nog beginnen, nog niets was verloren.

Maar deze jongeman … intrigeerde hem. Op een of andere onverklaarbare manier intrigeerde deze jongeman hem, voelde hij mee met deze jongen.

Rogier bleef hem aanstaren. Hij kon met moeite zijn ogen van hem afhouden. Wat ging er om in het hoofd van dat soort volkje?

Eén enkel moment, een enkel moment kruisten de 2 blikken zich, om dan weer, bijna beschaamd, weg te kijken.

Die ogen … hetzelfde groen als zijn dochters ogen, dezelfde blik van hopeloosheid die ze had in haar jongere jaren. Hopeloos verloren was dit … kind.

Een kind was hij, omdat hij niet de levenservaring bezat die iemand van zijn jaren bezat. En hopeloos verloren was hij, omdat zijn hele houding uitstraalde dat hij de zin in het leven had verloren.

De minuten verstreken zoals jaren. Nu en dan durfde Rogier terug te blikken, maar de jongeman was verzonken in zijn gedachten, wat die gedachten ook mochten zijn. Hij wandelde nerveus op en neer, speelde met zijn aansteker, bewoog zijn hand over de vlam om te zien hoe lang hij de hitte van het vuur zou kunnen uithouden.

Hij gooide zijn half opgerookte sigaretten van het perron weg, recht op de treinsporen, om er dan onmiddellijk daarna er weer aan te steken.

Hij keek ook af en toe naar het grote uurwerk. Waarschijnlijk kon hij niet wachten totdat de trein aankwam. Moest hij ergens dringend zijn, op dit late uur? Was hij zenuwachtig?

Rogier zat op het donkergroene houten bankje, handen in zijn schoot, te denken, af en toe weer opkijkend naar deze vreemde jongeman. Wat ging er in dat hoofd om?

De onduidelijke stem die uit de luidsprekers kwam kondigde de aankomst van de trein aan. Onmiddellijk, alsof het hem bevolen was, ging de jongen aan de rand van het perron staan, zijn magere handen in zijn zakken, naar links en rechts kijkend.

Rogier moest fronsen over dit gedrag. Had niemand hem ooit geleerd dat dit gevaarlijk was? De wind die trein zou voortbrengen kon gemakkelijk iemand meesleuren. In de verte kon hij de trein horen.

Langzaam stond hij op, maar zijn blik week niet van de jongen af. Het lichaam van dat kind stond helemaal gespannen, de handen gebald tot vuisten in zijn zakken.

Hij wist niet hoe, maar hij wist gewoon dat deze jongen iets doms ging doen. Iets heel doms.

Met elke seconde dat het duurde voor de trein om af te komen, bewoog Rogier zich dichter en dichter bij de jongeman, zijn arm half uitgestrekt, zijn vingers gestrekt. Ja, deze jongen zou iets doms doen.

Net toen de trein bijna zou passeren, bijna zou stoppen, spande het lichaam van de jongen nog meer op, alsof hij zou springen.

Ja! , dacht Rogier angstvallig. Hij wou springen!

Net op tijd, net op het nippertje, pakte hij die lederen vest beet, en trok hem hevig naar achteren. De jongen, die klaar was geweest om te springen, viel meteen achterover, en landde onzacht op zijn rug, zijn voeten gestrekt.

De trein raasde voorbij hen heen, om maar enkele meters daarna te stoppen. Het duurde enkele ogenblikken voor de jongen om te beseffen wat er juist gebeurd was.

Wat Rogier ook gedacht had dat de jongen zou doen, het was zeker niet dit. Hij had gedacht dat de jongen hem zou bedanken, of gewoon in de trein zou stappen.

"Waarom deed je dat nu?! Godverdomme er nog aan toe!" De jongen sprong overeind, en keek hem aan met vuur in zijn ogen. Haat. Verdriet. Maar toch een sprankeltje van blijdschap.

Maar Rogier wist niet wat te antwoorden. Hij stond daar perplex, compleet verbaasd te kijken naar deze jongen die hem begon uit te schelden, terwijl het volk uit de trein stroomde. Sommige passagiers bleven staan, nieuwsgierig over deze ruzie. Maar dat kon hem niet schelen. De jongen raasde verder, bleef hem uitschelden.

Ouwe zak. Idioot. Klootzak …

Totdat hij plotseling stopte. Zomaar. De jongen was blijkbaar weer tot zijn zinnen gekomen. Maar toch voelde Rogier aan, in het diepste van zijn ziel, dat hij hem niet zou bedanken. Dat wist hij zeker, zoals hij wist dat de zon elke morgen opkwam en elke avond weer onderging.

En hij had gelijk. De jongen liep weg, liep de trappen af naar de tunnels, naar de trams.

Oh lieve God, hij kon hem toch niet zomaar laten doen! Neen, dat kon hij niet. Hij kon hem niet zomaar laten gaan. Maar iets binnen hem hield hem tegen. De jongen wist dat zijn leven iets waard was. Die jongen wist dat er zich iemand om zijn leven bekommerde, om het feit dat hij zou leven of niet.

En dat was, wat hem betrof, meer dan genoeg. Rogier stak zijn handen diep in zijn zakken, en liep naar de trein toe. Stapte in. Liet de deuren dichtgaan. En toch moest hij, diep vanbinnen zichzelf tegenhouden. Hij hoopte gewoon dat deze jongen goed zou terechtkomen …